Verslag gesprek tussen Loes Ypma en WSK

Verslag van gesprek tussen

Loes Ypma (PvdA-fractie Tweede Kamer, woordvoerder basisonderwijs) – voortaan ‘Loes’ of ‘ze’ –

en

Erica Ritzema, Elly de Wildt-Dienske en Ewald Vervaet (WSK) – voortaan ‘we’ of ‘wij’ –

op 4 december 2013, 15u00-16u00.

Loes heeft bewerkstelligd dat de Cito-Eindtoets Basisonderwijs (CEB), waarvan het landelijke en verplichte karakter gisteren ook door de Eerste Kamer is bekrachtigd, niet als hoofd- of als enig criterium gebruikt mag worden in verband met het vervolgonderwijs, maar slechts aanvullend op het advies van de basisschool. Dat heeft ze bereikt door onder meer in de wet op te nemen dat de CEB pas afgenomen mag worden ná het schooladvies. Op die manier zou de uitslag van de CEB hooguit als controle en/of correctie op het schooladvies kunnen werken. We wensen haar hier geluk mee, maar voegen er wel aan toe dat de WSK in het algemeen vóór toetsen is op basis van proeven, maar tegen tests. En ook dat de WSK in het geval van de CEB blijft vrezen voor een neerwaartse druk: leerkracht van groep 8 legt wensenpakket bij die van groep 7 neer; die doet dat bij de leerkracht van groep 6 en zo terug naar het wensenpakket van de leerkracht van groep 3 aan de leerkracht van groep 1/2.

Loes benadrukt diverse keren (wellicht ook al bij de CEB) datstaatssecretaris Dekker nu eenmaal toetsen wil en dat ze daar niet onderuit kan – ze kan er alleen proberen een verzachtende draai aan te geven – ze noemt dat de ‘realistische kant’ van haar manier van aanpak. Wij benadrukken van onze kant diverse malen dat de WSK niet tegen toetsen is maar tegen tests en vóór proeven. Als voorbeeld geven we al gauw de schrijfproef en de leesproef. Op een of andere manier hebben wij de indruk dat het onderscheid test-proef binnen het verschijnsel ‘toets’ niet bij Loes overkomt en dat ze die proeven niet als een onderdeel ziet van een LVS. We kaarten ook het feit aan dat er elf maanden leeftijdsverschil mogelijk is tussen kleuters van wie dezelfde toets wordt afgenomen en dat van differentiatie dus geen sprake is. Daar bleek ze zich niet van bewust te zijn. Ook bespreken we dat een voldoende toetsscore geen garantie blijkt te zijn voor succes in groep 3. Sociaal-emotionele aspecten spelen daarbij ook een grote rol. Kinderen die bijvoorbeeld een B-score hebben, kunnen toch uitvallen op de lees- en schrijfproef. Erica licht het verschil tussen schoolbekwaam en schoolrijp toe.

Dat ook wij ten aanzien van toetsen realistisch zijn, laten we zien door te stellen dat we het Cito enkele dagen terug een brief hebben geschreven over dat het de koers moet verleggen van tests naar proeven, dat Ewald morgen een telefonische bespreking met Ilse Papenburg en Nienke Lansink van het Cito heeft over een bijeenkomst tussen het Cito en de WSK over dit onderwerp en dat we over tests/proeven een uitvoerige correspondentie aan het voeren zijn met haar collega Karin Straus van de VVD en de fractiemedewerker basisonderwijs van de VVD, Sjoerd Veldhuizen.

Erica brengt duidelijk naar voren dat de WSK bezig is een adequate LVS op te zetten. Loes vindt een goed LVS namelijk heel belangrijk. Erica vertelt dat een subgroep van de WSK bezig is verschillende LVS-modellen naast elkaar te leggen om te kijken welke informatie daaruit relevant is en kan worden ingepast in het aanbod zodat de leerkracht binnen de lestijd gegevens kan vergaren zonder te hoeven worden vrij geroosterd of hulp te moeten inschakelen van een onderwijsassistent. Gegevens die we uit de praktijk opvangen, spreken van overdaad, die een onnauwkeurige invulwijze blijkt te veroorzaken, het zogenaamde ‘natte-vinger-werk’. De WSK wil af van het afvinken van lijsten, die de oorzaak zijn van vermindering van lestijd. Het doel van toetsen moet weer het eind van een proces worden en niet zoals nu het startpunt.

Bij bijlage 5 van het door ons meegebrachte schrijven, over ’10 letters vóór groep 1′, keek Loes erg verbaasd, maar we weten niet zeker ze daar wat mee gaat doen.

Ze is het met ons eens dat er in het onderwijs te eng wordt getoetst (lezen, schrijven, tellen, rekenen) en dat de algehele ontwikkeling te weinig aan bod komt. Dat tests tot perverse effecten leiden zoals feitelijk in het hele zwartboek wordt geschetst, komt volgens ons niet bij haar over – ook niet nadat we enkele voorbeelden hebben geschetst, zoals het aanbieden van een behandel-plan aan een kind dat een E-score heeft, terwijl het in werkelijkheid ergens niet aan toe is.

Uit zichzelf informeert ze bij ons wat de WSK met taalachterstand wil. Het treffende is dat we die alle drie – ook zonder dat we het daar ooit met elkaar over gehad hebben – als een oneigenlijk probleem zien. Erica geeft aan dat een taalachterstand ontstaat vanuit een beperking, namelijk de thuissituatie van een kind, die wordt behandeld als een probleem. Een beperking kun je echter niet veranderen, die moet je accepteren als een vaststaand feit.

We kunnen die kinderen immers niet overplaatsen naar een talige familie. De enige manier om taalachterstand aan te pakken is ook de ouders in het proces te betrekken, zoals vroeger in het programma ‘Opstap’ het geval was. Erica heeft veel taalactiveringsprogramma’s voorbij zien komen, maar dit programma hanteerde de enige aanpak die werkelijk resultaten opleverde.

We benadrukken dat taalachterstanden niet weggewerkt of voorkomen kunnen worden door alvast bij kleuters te beginnen met letters (om hen sneller aan het lezen te krijgen). Wel belangrijk is dat er veel gepraat en gespeeld moet worden, vooral ook met andere kinderen. En dat er veel voorgelezen en gezongen dient te worden, omdat er bij beide activiteiten allerlei onderwerpen en dus ook veel woorden aan bod komen. Omdat die woorden steeds in een verband gebruikt worden, kan de woordenschat eenvoudig uitgebreid worden, zonder dat er sprake is van taallesjes en rijtjes losse woordjes.

Na een minuut of 40 schetsen we dat de situatie waar het kleuteronderwijs in terecht is gekomen, niet van eergisteren is maar in de loop van 30 jaar is ontstaan en dat het officiële onderwijs een consistent stelsel in dezen is geworden: Pabo’s, inspectie, PO-Raad, Cito, ministerie, Onderwijsraad – men vult elkaar aan en versterkt elkaar. Temeer omdat Asscher en Dekker onlangs aangekondigd hebben om de peuters op een basisschoolachtige manier te gaan benaderen vinden wij het dienstig om onder ogen te zien dat het kleuter-/basisonderwijs in zijn totaliteit doorgelicht zou dienen te worden, bijvoorbeeld middels een parlementaire enquête. Loes stelt vrijwel onmiddellijk dat dat een veel te zwaar middel is: dan zouden er eerst doden moeten vallen of zou er zoiets ernstigs aan de hand moeten zijn als met de bankencrisis.

We vragen nog een paar keer of er geen ander middel is dan een parlementaire enquête om het kleuter-/basisonderwijs in zijn totaliteit door te lichten, maar dat ontkent ze en ze stelt dat de losse acties die ze onderneemt, alles is wat ze kan doen.

Loes heeft in het algemeen behoefte aan ‘hapklare brokken’. Dat wil zeggen, ze kan (net als elk ander Kamerlid) niet zó gedetailleerd van een werkveld op de hoogte zijn, dat ze zelf met oplossingen kan komen. Dat begrijpen wij en we brengen naar voren dat we dat in het geval van het LVS aan het doen zijn en dat we daar met de schrijfproef en leesproef al heel ver in gevorderd zijn.

Ook benadrukt ze dat publiciteit heel erg belangrijk is. Daar vallen we haar in bij en wijzen op het vraaggesprek dat Elly en Erica vanavond bij Omroep Max hebben.

 

Na afloop

Na afloop stellen we vast dat Loes verder is dan we dachten in haar opkomen voor aansluitend kleuteronderwijs. Ze staat duidelijk aan onze kant en het kleuter- en basisonderwijs heeft haar belangstelling. Ze is er echter niet aan toe om het kleuteronderwijs in het bijzonder en het basisonderwijs in het algemeen ter discussie te stellen, bijvoorbeeld middels een parlementaire enquête: ze heeft Kamervragen gesteld, wetten geamendeerd, moties ingediend, vóór moties van anderen gestemd (en tegen weer andere moties), en zulke losse acties meer.

Vooral Ewald vroeg door of er dan geen ander middel is om het kleuter-/basisonderwijs in zijn totaliteit eens te onderzoeken als een parlementaire enquête een te zwaar middel is, maar daar kwam uiteindelijk alleen een herhaling uit van de losse acties die ze eerder had opgenoemd en die wij op zich toejuichen.

Wij drieën waren het er meteen over eens, dat het steeds duidelijker wordt, dat er vanuit het onderwijs een breed opgezette actie dient te komen, zoals een collectieve weigering om bepaalde formulieren in te vullen en/of om bepaalde procedures uit te voeren.

Met vriendelijke groeten,

Erica Ritzema, Ewald Vervaet, Elly de Wildt-Dienske.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *