Wat hebben jonge kinderen nodig?

Dat was de titel van de lezing die Sieneke Goorhuis op 15 maart (2013) hield in het Limburgse Voerendaal, waar het verzamelde veld van de kinderopvang, gebundeld in ‘Kinderen ons vak’, onder de werktitel ‘Zij ontwikkelen zich beter, als wij samenwerken’, ruim honderd man sterk samen was gekomen.

De directe aanleiding was het 100-jarig bestaan van MIK (Meerwaarde in kinderleven), een organisatie, die begon als een zeer kleinschalig, katholiek initiatief in Maastricht.

Het tweede onderwerp dat aan de orde kwam, was De Sterrenschool Apeldoorn, een kindcentrum, waar voor ieder kind maatwerk wordt geleverd, en waar leerkrachten en pedagogische medewerkers intensief samenwerken in één team. Inmiddels is gebleken dat deze formule ook prima uitvoerbaar is bij relatief kleine scholen.

Van de bij de bijeenkomst aanwezige WSK-leden was de aandacht primair gericht op de bijdrage van Sieneke Goorhuis, die zeker voor degenen die haar nog niet of onvoldoende kenden, behartenswaardige uitspraken deed.

Op de vraag wat jonge kinderen nodig hebben, bleek in elk geval dat de didactische aanpak zoals die geprogrammeerd is in de Voor- en Vroegschoolse Educatie niet alleen niet wérkt, maar daarnaast ook nog eens leidt tot faalangst. VVE zou in het uiterste geval als inspiratiebron gebruikt kunnen worden, maar in elk geval nooit dogmatisch toegepast mogen worden. Nu er ook een tendens lijkt te onstaan om zelfs peuters te gaan toetsen, dreigt het probleem alleen nog maar groter te worden. Men zou de toets “spelenderwijs” af willen nemen, maar peuters zullen zeker de prestatiedruk ervaren. Ook die merken wel degelijk of ze getoetst worden, al wordt het als spel gebracht. Een juiste vorm van VVE dient te bestaan uit kijken en daarop reageren/inspelen, en niet uit het opleggen van een programma. In zijn huidige vorm werkt VVE dus niet.

Omdat kleuters geen schoolkinderen zijn, bestaat er per definitie in hun ‘leeftijdscategorie’ nog geen doorlopende leerlijn. De ontwikkeling van een kleuter verloopt namelijk niet in een bepaalde (en te structureren) regelmaat, maar op basis van toevallig op het juiste moment aangeboden impulsen.

Om er aan mee te werken dat kinderen kunnen uitgroeien tot mensen die zelfstandig keuzes kunnen maken, dienen we te kijken naar hun neurobiologische fase, die vrij spel vraagt, en niet naar een veronderstelde didactische fase, met educatie als gevolg. En voor zover er wel sprake is van didactiek, is die kindvólgend, en niet kindstúrend. Kleuters denken nog magisch en reflecteren aarzelend, terwijl in groep 3 pas concreet operationeel gedacht wordt.

Het didactisch denken is voortgekomen uit beleid ten aanzien van achterstanden, en heeft vorm gekregen in de VVE. Het grote probleem is alleen dat het averechts werkt: juist de kinderen, die daarmee geholpen zouden moeten worden, raken verder achterop; ze kunnen het echt niet, of ze raken geblokkeerd door faalangst. Een belangrijk aspect daarbij is ook het gemaakte onderscheid tussen moedertaal (thuistaal) en schooltaal. Taal kan (ook) niet worden losgekoppeld van de rest van de ervaringen die kleuters al spelend opdoen.

Direct daarmee in verband staat, dat kinderen door het te vroege oefenen van letters uiteindelijk langer spellend blijven lezen!! Het trainen op leesgerelateerde vaardigheden kan dyslexie veroorzaken!!

Net zo goed als het gegeven dat interactief voorlezen de beste manier is om de beleving van een verhaal kapot te maken, omdat er geen beroep meer gedaan wordt op het magisch denken van de kleuter. Met deze werkwijze wordt totaal voorbij gegaan aan de identiteit van de kleuter. Geen wonder dat er zo weinig resultaat geboekt wordt.

Dit alles leidt onder meer tot de slotsom dat je kleuters niet kunt, en dus ook niet moet toetsen. Sterker nog, vanwege het frustrerende ontwikkelings-effect op de kleuter zelfs niet mág toetsen.

In haar betoog wees Sieneke Goorhuis nog op de recente publicatie van Wilna Meijer;: ‘Onderwijs, weer weten waarom’, waarin een pleidooi gehouden wordt voor de bekende knip, de scheidslijn tussen kleuteronderwijs en de ‘echte’ lagere school.

Dat boek wordt op korte termijn op deze website besproken.

Coen Eggen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.