Opbrengstgericht? Ik zie het niet.

Hoe verschrikkelijk contraproductief , hoe tijd- en mankrachtverslindend en dus hoe frustrerend dat eeuwige toetsen is, voor iedereen, blijkt uit het heldere betoog dat Erica Ritzema daarover schreef. Lees en huiver!!!

 

Opbrengstgericht? Ik zie het niet!

Wij, leden van de Werkgroep Kleuteronderwijs, worden afgerekend op het feit dat wij voorstanders zijn van het geven van onderwijs vanuit de zone van de actuele ontwikkeling, omdat je dan (volgens de critici) niet het uiterste uit een kind zou halen.

Deze week sprak ik een kleuterjuf, die in de afgelopen maand een hele woensdagochtend een kleutergroep over zou nemen. Het had gesneeuwd en daarom had ze een winters lesprogramma voorbereid, zodat het hele rooster aan zou sluiten op de actualiteit van die dag. Ze had zich er erg op verheugd, maar toen ze het lokaal in kwam, lag op het bureau een lijst met allerlei verplichte onderdelen klaar. Zo mocht ze niet buitenspelen, maar moest in de speelzaal bij de hele groep een vaardigheid afvinken. Dat hield in dat iedereen vrij mocht spelen en zij steeds een nieuw kind bij zich riep om haar lijst af te werken. Er wordt in het onderwijs veel afgevinkt en op die momenten wordt er helemaal géén les gegeven. Als de inspectie komt krijgt de school dankzij deze registratie een compliment, omdat men de ontwikkeling van de kinderen goed in beeld heeft. Dat dit feit te danken is aan heel veel momenten waarop je helemaal niet op die ontwikkeling in kon gaan of aansluiten, waardoor er dus ook niks ontwikkeld wordt, ontgaat de inspectie.

Mijn ex-collega vertelde dat er in de kleuterbouw, bestaande uit vijf groepen [5], maar liefst negentig citotoets-momenten waren geweest:
Alle kinderen maken namelijk twee toetsen: Ordenen en Taal voor kleuters. [2×5 = 10] Beide toetsen, zowel voor de jongste als voor de oudste kleuters, dienen in twee delen te worden afgenomen. [2x2x10=40] Groepen groter dan tien kinderen worden daarbij gesplitst. [2×40=80] Zieke kinderen moesten de toets inhalen. [80+10=90]

Er zijn dus vier toetsmomenten voor de jongste en vier toetsmomenten voor de oudste kleuters. Als er veel zieken zijn tijdens de toetsperiode, kan dat (bij het ‘inhalen’) ook nog voor splitsingen zorgen, wat het aantal toetsmomenten nog een keer verhoogt. Leerkrachten zetten die kinderen bij elkaar en dat kan nadelig werken, omdat een aantal kleuters dan niet wordt getoetst door de eigen leerkracht in hun vertrouwde omgeving.
Toetsen van een deel van de groep houdt in dat de kinderen, die op dat moment niet meedoen het lokaal uit gaan en door andere leerkrachten moeten worden opgevangen. Als het weer niet meezit, – en die mogelijkheid is behoorlijk aanwezig tijdens de eerste twee maanden van het jaar – , is dat binnen.

Samengevat: het hele onderwijsproces staat een toetsmaand lang op een laag pitje, want je zet een getoetst kind daarna niet nóg eens aan een pittige opdracht. Daarnaast heb je veel minder mogelijkheden met zo’n overvolle groep en kost jou zo’n saaie activiteit als het toetsen van kinderen ook energie (omdat je ziet dat geen enkel kind daar iets wijzer van wordt en weet dat het de kinderen alleen maar belemmert in hun natuurlijke ontwikkeling). Om het even niet te hebben over de ‘productie’-verlaging van de collega’s die steeds een deel van een andere groep extra onder hun hoede kregen.
Enig idee hoeveel tijd er verloren gaat aan het toetsen zelf, aan het in- en uitlopen van de kinderen, het herstellen van het groepsklimaat, enzovoort? De duur zou eventueel verkort kunnen worden, maar aangezien zoveel mogelijk gestreefd wordt naar een toetsmoment aan het begin van een dagdeel in verband met de concentratie van de kinderen, functioneert het onderwijs een maand lang op een veel lager niveau.

Opbrengstgericht? Ik zie het niet! (Door een schaap een paard te noemen, kan die wolbaal écht geen hooiwagen trekken …)

Erica Ritzema 24 januari 2013.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *