Bouw!: een leesprogramma met haken en ogen, passage 3

Bouw! werkt met computerondersteuning en tutors.

 

De WSK daarentegen stelt:

De computer en de tutor geven een te gunstig beeld van Bouw!.

 

De meeste kinderen vinden alles wat met computers te maken heeft, en een-op-een-contact leuk. Dit heten ‘niet-specifieke factoren’ en moeten worden afgetrokken van eventuele positieve effecten van Bouw!. Naast computer en tutor zijn er ten minste nog vijf andere niet-specifieke factoren.

 

Aan ouderejaars leerlingen, ouders en grootouders als tutor zitten specifieke nadelen.

 

recht gedrukt: tekst van Bouw!

      schuin gedrukt en ingesprongen: de reactie van de kerngroep van de WSK

 

Wie kan er als tutor leerlingen begeleiden?
Bouw! combineert goed doordachte computerondersteuning met het beproefde middel van de inzet van een tutor die naast het kind zit en aanwijzingen geeft. Deze tutors hoeven geen onderwijsprofessional te zijn, het kunnen ook ouders, grootouders, vrijwilligers of ouderejaars leerlingen zijn.
De cursus Bouw! Tutor is er voor iedereen die op school leerlingen gaan begeleiden bij het programma Bouw!

 

3.1  De computerondersteuning schrijft voor wat de tutor op welk moment zegt of doet. Dat maakt dat het programma inderdaad door een variatie aan tutors te begeleiden is. Ons bezwaar is dat het slagen van het programma mede afhankelijk is van de inzet van een tutor, weliswaar met computerondersteuning. 


3.2  De computer in de ondersteuning en de tutor geven een te gunstig beeld van
Bouw!. Immers, de meeste kinderen

  • vinden alles wat met computers te maken heeft of op een computerspelletje lijkt, leuk;
  • vinden een-op-een-contact leuk;
  • vinden emotionele ondersteuning van de tutor bij tegenslag fijn – en een kind dat niet rijp is voor Bouw! (en dat zijn de meeste; zie 1.2-3 en 2.2-4) zal doorlopend tegenslagen ondervinden en die ondersteuning dus heel erg nodig hebben.

 

Dit soort zaken heten niet-specifieke of algemeen werkzame factoren. De effecten van niet-specifieke factoren moeten worden afgetrokken van positieve effecten in het algemeen, bijvoorbeeld de mate waarin kinderen Bouw! leuk vinden. Elk ander programma waarbij dit soort niet-specifieke factoren worden ingezet, zal verbeteringen laten zien. 

                       Andere niet-specifieke factoren in Bouw! zijn:

  • het onderdeel ‘avatar maken’,
  • het onderdeel ‘torens bouwen’,
  • het onderdeel ‘vliegtuigje laten vliegen’,
  • de fiets die de snelheid aangeeft,
  • het onderdeel ‘Domino’.

 

3.2  Als een ouderejaars leerling als tutor optreedt, gaat dit ten koste van zijn/haar onderwijs. Zijn rol verandert dan immers van leerling in begeleider. Elk kind dient echter het volle pond te krijgen – daar heeft elk kind recht op en dat recht is ook wettelijk verankerd. Gunstige effecten van het tutorschap voor de sociale vorming kunnen op andere manieren worden bereikt, bijvoorbeeld door de tutor voor te laten lezen aan jongere kinderen – dat is namelijk ook goed voor de voorleesvaardigheid van de tutor.

 

3.3  Als een ouder als tutor optreedt, dan is dat strijdig met de grondgedachte van het algemene of volksonderwijs sedert ongeveer 1800. Dat is nu juist in het leven geroepen om de ouders te ontlasten van allerlei onderwijstaken, omdat men algemeen inzag dat er specifieke kennis en vaardigheden vereist zijn om lees- en ander onderwijs te kunnen geven; zie bijvoorbeeld de volgende VGV, waarin allerlei overwegingen staan in verband met flitstijden, die een niet-leerkracht niet naar behoren kan maken. Dat tutoren begeleid worden, verandert daar niets aan, want vaak zal een tutor toch ter plaatse beslissingen moeten nemen.

3.4  Als een grootouder als tutor optreedt, lijkt ons dat ten koste te gaan van het specifieke van de grootouder-kleinkind-relatie. Laat de grootouders over vroeger vertellen, laat ze oude liedjes zingen, laat ze hedendaagse en traditionele bord- en andere spelen met ze doen en natuurlijk voorlezen:

                       Laat de kleuter kleuter zijn (en maak er geen schoolkind van) en laat de grootouder grootouder zijn (en koester de relatie waar juist niet aan een bepaalde standaard of voorwaarde voldaan hoeft te worden).

 

3.5  Als een ouder of een grootouder als tutor optreedt, betekent dat voor het kind extra schooltijd terwijl zo’n kind nu juist de buitenschoolse tijd keihard nodig heeft om vrij te spelen, te bewegen en op eigen kracht de wereld, spelregels (van knikkeren, hinkelen, boompje-verwisselen, voetbal) en wat al niet meer te ontdekken.

 

3.6  Samengevat: De tutor is een niet-specifieke factor, is strijdig met de grondgedachte van algemeen of volksonderwijs. Het inzetten van een tutor is een zwak punt als het een voorwaarde is om een programma te laten slagen. Ook kan het tutorschap een kind van een hogere groep in meerdere of mindere mate benadelen.

 

Behoefte aan verdieping? Ga naar het ‘Bouw!-artikel, zoek onder ‘niet-specifiek’ en lees §2.3, C.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.