Het voorkomen van analfabetisme

Aan de leden van de Vaste Commissie OCW van de Tweede Kamer

5 september 2016.

 

Betreft: het voorkómen van laaggeletterdheid bij volwassenen door goed kleuteronderwijs

Geachte,

Op 21 april jongstleden hebben twee leden van de werkgroep een onderhoud gehad met één van u, mevrouw K. Straus. Mede met het oog op het rondetafelgesprek over de toekomst van het kleuteronderwijs verzocht ze ons te onderbouwen of en waarom goed kleuteronderwijs in de toekomst laaggeletterdheid bij volwassenen kan voorkomen.
Wij hebben mevrouw Straus toegezegd op haar verzoek in te zullen gaan. Dat doen we bij dezen.

Kleuter en voorwaardenscheppend pre-leesonderwijs

Algemeen geldt dat goed onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van het kind en niet op zijn ontwikkeling vooruitloopt: het kind krijgt bepaalde leerstof pas aangeboden als het daaraan toe is. Dat aansluitende en niet-vooruitlopende geldt ook voor goed kleuteronderwijs.

In goed kleuteronderwijs krijgt de kleuter (bijlage, A) als voorbereiding op het leren lezen wanneer het eenmaal een jong schoolkind (bijlage, B) zal zijn, voorwaardenscheppend pre-leesonderwijs. Omdat een letter als figuurtje een vorm heeft en bij conventie voor een klank staat, betekent dit dat:

  • de kleuter vormspelletjes doet zoals het onderscheiden van figuurkenmerken (wat is hetzelfde, wat is anders), overtrekken, uitknippen, lijnen volgen, doolhoven, vormen kleien, (na)leggen van figuren op de kralenplank, of met blokjes of mozaïek, kennismaken met rechte lijnen (horizontaal, verticaal en schuin), enzovoort;
  • de kleuter klankspelletjes doet zoals het hakken van zinnen in klankvoeten, rijmen, woorden noemen die met een bepaald klank beginnen, enzovoort;
  • de kleuter luisteroefeningen doet zoals reageren op een woord of een klank, het ontdekken van verschillen en overeenkomsten in klanken, luisteren waar je de klank hoort, vooraan achteraan, in het midden van een woord. Het oefenen van het auditieve geheugen o.a. door klanken in de goede volgorde na te zeggen, enzovoort.

De kleuter moet dus niet met letters bezig zijn:

  • Spelletjes met alleen lettertekens zijn dan ook een heel beperkt soort vormspel. Tegenover de ongeveer 44 verschillende vormen van onze lettertekens (dus afgedacht van letters als ‘c’, ‘o’, ‘s’, ‘u’, ‘v’, ‘w’, ‘x’ en ‘z’ waarvan de kleine letters en de hoofdletters dezelfde vorm hebben) staan duizenden vormen die geen letterteken zijn.
  • Het leren van lettertekens, -vormen en –klanken leidt af en verstoort het natuurlijke proces van het ontdekken en leren van de taal. De dreumes en de peuter leren in een continue wisselwerking tussen spreken en luisterende taal. In de kleuterfase komt hier de ontdekking bij dat taal uit afzonderlijke klanken bestaat, dat je ook met geschreven symbolen kunt communiceren en dat je met taal spelletjes kunt doen.

De kleuter moet dus nog helemaal niet met lezen bezig zijn. Immers, de kern van het leren lezen is het hakken-en-plakken. Een kind dat op het leesdomein een kleuter is, is daar per definitie niet aan toe: de kleuter is namelijk gezien zijn ontwikkeling alleen in staat om te hakken; zie bijlage, A.

Weliswaar kan men een kleuter op een aantal woorden trainen, maar

  1. Omdat de kleuter niet leesrijp is, is trainen verloren tijd. Deze tijd kan beter zinvol besteed worden aan zingen, versjes, klankspelletjes en rijmen. Aan grofmotorische vaardigheden als springen, huppelen, hinkelen en aan fijnmotorische vaardigheden als tekenen, kleuren, kralenplank en kralen rijgen, puzzelen, blokken bouwen, knippen en plakken en andere taken waar de kleuter wél aan toe is.
  2. Het reproduceren van getrainde woorden is geen lezen maar herkenning die op het geheugen is gebaseerd; als de letters op zich geen betekenis hebben gekregen en als de getrainde woorden niet voortdurend worden herhaald, vergeet de kleuter ze daarom weer.
  3. Een hakkende kleuter die is getraind op het herkennen van enkele woorden wordt door dat trainen en het herhalen van het getrainde geen hakkend-en-plakkend schoolkind.

 

Hoe is laaggeletterdheid bij volwassenen te verklaren?

We vermoeden dat een deel van de laaggeletterdheid bij volwassenen te verklaren is doordat destijds te vroeg met leesles begonnen is – té vroeg omdat ze op het aanvangsogenblik van leren lezen niet leesrijp waren. Tientallen jaren terug zal er de neiging geweest zijn om zulke kinderen voor dom te houden en/of hen als woordblind te bestempelen. Het kind voelde zichzelf ook dom omdat iedereen in de klas wel kon leren lezen en het bij hem/haar maar niet lukte. Die domme indruk zal nog versterkt zijn doordat zo’n kind allerlei letters door elkaar begon te halen op het moment dat het wél leesrijp was geworden. Aangezien de groep dan bijvoorbeeld al bij ‘oe’, ‘ei’, ‘eu’ en andere meertekenletters of zelfs bij woorden als ‘beken’ (voor /beekun/) en ‘bekken’ (voor /bekun/) was zodat het pas onlangs leesrijp geworden kind zich ineens voor een verwarrend geheel aan conventies geplaatst zag. Door die wankele basis en groeiende onzekerheid heeft het de opgelopen achterstand niet meer in kunnen halen, met als gevolg blijvende leesproblemen gedurende de gehele schooltijd, kennelijk tot aan de volwassenheid toe.

Deze problemen doen zich overigens nu nog steeds voor bij kinderen die leesles krijgen als ze er niet rijp voor zijn.

 

Leert een laat leesrijp kind misschien nooit lezen?

Aansluitend leesonderwijs brengt met zich mee dat een kind dat met 8,5 jaar niet leesrijp is, nog geen leesles moet krijgen. Velen vragen zich dan af of zo’n kind wel ooit zal leren lezen. Deze vrees is ongegrond:

  • In de Middeleeuwen moesten zonen van boeren, schoenlappers en andere ongeletterden (de overgrote meerderheid van de bevolking) als ze priester of monnik wilden worden op latere leeftijd nog leren lezen en schrijven. We weten dat ze zich het lezen en schrijven binnen twee, drie maanden eigen maakten.
  • In die tijd moesten vaak ook kloosterzusters de bijbel kunnen lezen, terwijl deze meisjes in het algemeen tijdens hun jeugd niet hadden leren lezen. Ook zij hebben zich, voorzover bekend, in een redelijke termijn het lezen eigen gemaakt.
  • Op Cuba vond in 1961 een alfabetiseringscampagne plaats. Daardoor daalde het percentage analfabeten van over de 20% in 1958 naar 3,9% in 1961. De nieuwe alfabeten waren voor een groot deel volwassenen. Er zaten zelfs bejaarden tussen!
  • Basisschool De Vallei in Driel (bij Arnhem) heeft positieve ervaringen met kinderen die pas met 9 of 10 jaar tot lezen kwamen en die ondanks die late start goede lezers zijn geworden.

Kortom. Goed kleuteronderwijs sluit aan bij het ontwikkelingsniveau van de kleuter. Op het leesdomein worden optimale leesvoorwaarden geschapen door het kind liefde voor mooie verhalen en boeken bij te brengen door het veel voor te lezen uit verantwoorde prenten- en kinderboeken en door klank-, luister- en vormspelletjes te doen zonder met letters en al helemaal niet met lezen bezig te zijn. Door elk kind de gelegenheid te geven pas met lezen te beginnen als het er rijp voor is, zal elk kind door innerlijke drang vroeg of laat leren lezen.

Aansluitend leesonderwijs voorkomt niet alleen toekomstige laaggeletterdheid bij volwassenen, maar bevordert ook ieders leesplezier omdat een leesrijp kind met intrinsieke motivatie met veel plezier leert lezen terwijl – en dat herkent iedereen die met leesonderwijs te maken heeft – niet-leesrijpe kinderen die leesles krijgen, een vaak levenslange aversie tegen lezen kunnen ontwikkelen.

Wij zijn bereid ons betoog mondeling en schriftelijk toe te lichten.

Met vriendelijke groeten,

De kerngroep van de WSK

—–

Bijlage. De termen ‘kleuter’ en ‘jong schoolkind’

  1. Een kleuter is een kind dat op een bepaald ontwikkelingsdomein in neurologisch en psychologisch opzicht reacties vertoont, die van eenzijdigheid blijk geven:
  • Op het rekendomein is een kind een kleuter als het wel vooruit telt van 1 naar 20 maar niet terug van 20 naar 1.
  • Op het ruimtedomein is een kind een kleuter als het een schoorsteen loodrecht op een schuin dak tekent.
  • Op het leesdomein is een kind dat de letters ‘B’, ‘O’ en ‘S’ kent (Bart bijvoorbeeld omdat hij zich in zijn vrije spel de namen BART en SONJA, naam van zus, eigen heeft gemaakt), een kleuter als hij het woord BOS als ‘B, o, s’ leest: hij hakt slechts maar plakt niet.
  • Op het schrijfdomein is een kind een kleuter als het het potlood of een ander gereedschap bij het oversteken van de middenlijn van zijn eigen lichaam of op het papier overpakt in de andere hand.

 

  1. Een jong schoolkind is een kind dat op een bepaald ontwikkelingsdomein in neurologisch en psychologisch opzicht reacties vertoont, die van tweezijdigheid blijk geven:
  • Op het rekendomein is een kind een jong schoolkind als het ook van 20 naar terug kan tellen – als het bij ‘16’ blijft steken, telt het snel opnieuw vooruit om na ‘…, 14, 15, 16’ weer verder terug te tellen met ’16, 15, 14’.
  • Op het ruimtedomein is een kind een jong schoolkind als het op een schuin dak een schoorsteen verticaal tekent – het kan wegdenken van de schuinte van het schuine dak om in gedachte terug te gaan naar verticale voorwerpen die het kent, zoals torens, muren en palen.
  • Op het leesdomein is een kind dat de letters ‘B’, ‘O’ en ‘S’ kent, een jong schoolkind als het het woord BOS als ‘B, o, s; bos’ leest: het hakt én plakt – na de klank /o/ gaat het in gedachte terug naar de klank /b/ om daar /o/ achter te plakken en /bo/ te krijgen; na de klank /s/ gaat het in gedachte terug naar /bo/ om er /s/ achter te plakken en /bos/ te krijgen.
  • Op het schrijfdomein is een kind een (jong) schoolkind als het met een potlood of ander gereedschap de middenlijn van zijn eigen lichaam of op het papier moeiteloos kan passeren.

Gemiddeld over alle ontwikkelingsdomeinen is een kind gewoonlijk een kleuter tussen ongeveer 4,5 en 6,5 jaar en een jong schoolkind tussen ongeveer 6,5 en 8,5 jaar. De variatie kan echter enkele jaren bedragen. Om twee betrekkelijke uitersten te nemen: er zijn kinderen die al met 4,5 jaar leesrijp zijn maar pas met 8,5 jaar rekenrijp, en er zijn kinderen die al met 4,5 jaar rekenrijp zijn maar pas met 8,5 jaar leesrijp.

Deze grote variatie brengt voor scholen met een leeftijdsgroepssysteem (de overgrote meerderheid van de basisscholen) uiteraard organisatorische problemen met zich mee. In het hele land zijn er al scholen aan het experimenteren om schoolbreed op dezelfde tijd met lezen en met voorwaardenscheppend pre-leesonderwijs bezig te zijn. Elk kind gaat dan, ongeacht in welke groep het zit, naar zijn niveaugroep.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.