Directe Instructie (DI) (8) Werkt het ook voor kleuters?

Volgens aanhangers van DI verwerven kinderen leren lezen, schrijven en rekenen door middel van expliciete instructie en oefening. Daarom dienen kleuters al instructiekringen te krijgen: twee of drie van ongeveer twintig minuten per dag. Kleuters zouden al wat de leerkracht voordoet, nadoen. Na de instructiekring zouden ze in hun spel verder kunnen oefenen en verwerken.

 

De WSK daarentegen stelt:

Goed kleuteronderwijs is anders dan goed onderwijs aan het jonge schoolkind. Met name het vrije kleuterspel dient werkelijk vrij te zijn en mag niet gebruikt worden voor allerlei lesdoelen.

 

Een les in de onderbouw zou ongeveer gelijk zijn aan die in de bovenbouw en aan een training voor volwassenen. Goed kleuteronderwijs is echter anders dan goed onderwijs aan het jonge schoolkind, omdat het brein van de kleuter zich in psychologisch opzicht nu eenmaal nog niet ontwikkeld heeft tot dat van een schoolkind.

 

Als een kind in zijn spel de leerkracht nadoet, is dat uitstekend. Kleuters doen niet anders en leren daar veel van, maar

a. Kleuters doen de leerkracht pas exact na als ze eraan toe zijn. Zo heeft kleuter Bert al tientallen keren gezien dat zijn juf op zijn werkstuk BERT schreef. Toch schrijft hij zijn naam soms als BERT maar meestal met Ꞛ, Ǝ, Я, ᴚ en/of Ʇ.

b. DI wil het vrije spel echter ook deels van zijn vrije karakter ontdoen. In OntwikkelingVolgend Onderwijs is het vrije spel altijd vrij. Zie het WSK-stuk ‘Het belang van het vrije spel voor de kleuter’.

 

 

Directe Instructie (DI), passage 8

recht gedrukt en niet ingesprongen: Schmeiers tekst

      schuin gedrukt en ingesprongen: de reactie van de kerngroep van de WSK

DI = Directe Instructie; OVO = OntwikkelingVolgend Onderwijs of aansluitend onderwijs

 

Werkt het ook voor kleuters?

Leren lezen, schrijven en rekenen zijn geen natuurlijke processen. Het zijn culturele vaardigheden die kinderen verwerven door middel van expliciete instructie en oefening. Daarom is het belangrijk om in de kleutergroep instructiekringen te organiseren.

In iedere kleuterklas zijn dagelijks kringen waar de leerkracht uitleg geeft. Kleuters zuigen kennis op als een spons en doen na wat ze de leerkracht zien doen. In de instructiekring legt de leerkracht uit en doet voor, zodat leerlingen dit tijdens het spel verder kunnen oefenen en integreren in hun eigen mentale schema’s. Een kring duurt ongeveer twintig minuten en wordt doorgaans twee of drie keer op een dag georganiseerd.

In dit grootschalige onderzoek kregen leerlingen van groep 1 tot en met 3 les volgens verschillende aanpakken. Door het toepassen van DI leren kleuters significant meer dan bij andere onderwijsaanpakken. Ook hun zelfvertrouwen en probleemoplossend vermogen ontwikkelden zich beter. Kleinschaliger onderzoek van Trynke Keuning laat hetzelfde zien.

 

8.1 Schmeier stelt dat een les in de onderbouw ongeveer gelijk is aan die in de bovenbouw, aan die in het voortgezet onderwijs en aan een training voor volwassenen (zijn boek van 2020, p.219). Daarom gelden de punten 1-7 en punt 9 ook voor het kleuteronderwijs.

         Goed kleuteronderwijs is anders dan goed onderwijs aan het jonge schoolkind, omdat het brein van de kleuter zich in psychologisch opzicht nu eenmaal nog niet ontwikkeld heeft tot dat van een schoolkind. Daar komen de volgende overwegingen bij:

 

      8.2  Leren lezen, schrijven en rekenen zijn geen natuurlijke processen en ook geen culturele vaardigheden, maar ontwikkelingspsychologische processen, die uitmonden in cultureel gedeelde vaardigheden.

         Voorbeeld 1. Schrijven ontwikkelt zich volgens ‘vrijvormig schrijven (jonge peuter) -> eigenfiguurlijk schrijven (oudere peuter) -> spiegelbeeldig schrijven (kleuter) -> conventioneel schrijven (jong schoolkind)’.

         Voorbeeld 2. Bij Lonneke die LONNEKE, MAMA en PAPA kan schrijven en het woord KOM ziet, ontwikkelt het lezen zich zo:

‘K, o, m’ (louter hakken van de kleuter die de letters nog niet kan verbinden) ->
‘K, o, m; hok’ (hakken-en-gissen van het woord door de kleuter) ->
‘K, o, m; kom’ (hakken-en-plakken van het juiste woord door het jonge schoolkind) ->      ‘Kom’ (onmiddellijk lezen van het jonge schoolkind)’.

 

      8.3  Onze samenleving vindt lezen, schrijven en rekenen van groot belang. De onderwijskundige vraag is dus niet óf we dat onze kinderen moeten bijbrengen, maar wannéér en hóé. In de onderwijspraktijk van elke dag blijkt telkens weer dat het geen zin heeft om te proberen een kind iets bij te brengen waar het nog niet rijp voor is. OVO houdt dan ook in: bepaal de rijpheid; geef les bij voldoende rijpheid; geef anders voorwaardenscheppend onderwijs (zie 1.2 en 3.3)

     

      8.4  Kleuters zuigen kennis alleen als een spons op en doen de leerkracht na als ze eraan toe zijn (zie 1.2 en 3.3).

         Voorbeeld 1. Kleuter Bert heeft al tientallen keren gezien dat zijn juf op zijn werkstuk BERT schreef. Toch schrijft hij zijn naam zelf inderdaad soms na als BERT maar spontaan met Ꞛ, Ǝ, Я, ᴚ en/of Ʇ komt vaker voor.

         Voorbeeld 2. Leerkrachten tekenen huizen altijd zoals in het voorbeeld links, maar kinderen die op tekengebied als kleuter functioneren doen dat altijd zoals in het voorbeeld rechts:

(leerkracht: verticale schoorsteen);  

 

(kleuter: schoorsteen, loodrecht op het schuine dak).

 

 

         Deze twee voorbeelden laten zien dat een kleuter, die zich immers nog op het zogeheten 3-D-niveau (van ‘drie-Dimensionaal’) bevindt, niet toe is aan het begrip van letters en voorwerpen op het platte vlak en ook niet aan het correct weergeven daarvan.

 

      8.5  Als een kind in zijn spel de leerkracht na wil doen (of wil proberen na te doen), dan is dat uiteraard uitstekend. Kleuters doen niet anders dan dat en leren daar veel van. Denk aan schooltje en vader en moedertje en winkeltje spelen. Schmeier wil het vrije spel echter ook deels van zijn vrije karakter ontdoen; zie zijn boek van 2020, p.229. In OVO is en blijft het vrije spel altijd vrij. Binnen het vrije spel worden brede lesdoelen bereikt: motorisch, verbaal, sociaal, expressief, cognitief enzovoort. Zie het WSK-stuk ‘Het belang van het vrije spel voor de kleuter’.

 

      8.6  Het grootschalige onderzoek waar Schmeier op doelt, is ‘Doorlichten’; zie 3.4 en 3.6. Daarom is het geen bewezen feit dat door het toepassen van DI kleuters significant meer zouden leren dan bij een andere onderwijsaanpak. Ook hun zelfvertrouwen en probleemoplossend vermogen ontwikkelden zich niet beter.

 

      8.7  Het onderzoek van Trynke Keuning laat volgens Schmeier zien dat ‘kleuters beter leren rekenen door instructie dan door spel’ (boek van 2020, p.27). De resultaten van dit onderzoek zijn geen feiten maar schijnfeiten: er is geen rekening gehouden met de psychologische ontwikkeling van het tellen en het rekenen en er is gebruik gemaakt van de inferentiële statistiek en van tests en andere psychometrische instrumenten. Zie nogmaals 3.4 en 3.6.

 

      8.8 Samengevat: Omdat de kleuter géén schoolkind is, is goed kleuteronderwijs anders dan goed onderwijs aan het jonge schoolkind. Met name het vrije kleuterspel dient ook werkelijk vrij te zijn en daarin mag het kind niet belemmerd worden door het verwezenlijken van allerlei lesdoelen van buitenaf.

 

      Behoefte aan verdieping? Ga naar het DI-artikel en lees §9.4 (EDI-kleuteronderwijs; p.36-41) en – voor bijzonderheden – §1 (lezen als ontwikkelingspsychologisch proces; p.1), §9.4, a5 (vrij spel; p.32-33), §9.4, c (schrijven als ontwikkelingspsychologisch proces; p.37), §9.4, i2 (Keunings onderzoek; p.32-34).

 

Wil je de negen passages lezen en de reactie van de WSK op alle negen? Ga naar (doorklik naar hele DI-stuk).

 

Wil je de negen passages lezen en de reactie van de WSK op alle negen?
<<KLIK HIER>>

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *