Directe Instructie (DI) (3) Onderwijs gaat toch over meer dan alleen leren?

Volgens aanhangers van DI zijn voordelen van DI: er is veel samenwerking; relaties worden versterkt; er zijn veel succeservaringen; zelfvertrouwen en motivatie worden groter; leerlingen leren meer en worden goed in het oplossen van complexe problemen.

 

De WSK daarentegen stelt:

Een niet-rijp kind moet voortdurend extrinsiek gemotiveerd worden, terwijl de leerstof ondanks vele herhalingen niet beklijft.

   Een rijp kind is intrinsiek gemotiveerd, terwijl de leerstof na een of enkele aanbiedingen beklijft.   

 

Alleen een rijp kind doet in DI-onderwijs succeservaringen op en krijgt er meer zelfvertrouwen en motivatie door, maar voor OntwikkelingVolgend Onderwijs geldt dit nog veel sterker. Een rijp kind is intrinsiek gemotiveerd.

 

Een niet-rijp kind doet in DI-onderwijs geen succeservaringen op, krijgt er minder zelfvertrouwen en moet voortdurend extrinsiek gemotiveerd worden.

In OntwikkelingVolgend Onderwijs krijgt een kind dat ergens niet rijp voor is voorwaardenscheppend onderwijs en doet succeservaringen op in iets waar het wél rijp voor is. Op rekengebied bijvoorbeeld doet het orden- en telspelen.

 

recht gedrukt en niet ingesprongen: Schmeiers tekst

      schuin gedrukt en ingesprongen: de reactie van de kerngroep van de WSK

DI = Directe Instructie; OVO = OntwikkelingVolgend Onderwijs of aansluitend onderwijs

 

Onderwijs gaat toch over meer dan alleen leren?

In een DI-les is er veel interactie tussen de leerkracht en de leerlingen en de leerlingen onderling, waardoor er veel wordt samengewerkt en relaties worden versterkt. Doordat leerlingen in kleine stappen de leerstof eigen maken, doen ze veel succeservaringen op en dat vergroot hun zelfvertrouwen en motivatie.

Leerlingen die les hebben gekregen volgens de principes van DI léren niet alleen meer, maar hebben ook meer zelfvertrouwen (self-esteem) en zijn beter in het oplossen van complexe problemen (problem-solving skills) dan leerlingen die les krijgen volgens andere onderwijsconcepten.

 

      3.1  Een kind maakt zich de leerstof alleen in kleine stappen eigen als het rijp is voor de leerstof (zie 1.2; echter, OVO is beter dan DI; zie 1.5 en 2.2). Een kind maakt zich de stof niet eigen als het er niet rijp voor is (zie 1.3).

      3.2  Alleen een rijp kind doet in DI-onderwijs succeservaringen op en krijgt er meer zelfvertrouwen en motivatie door, maar voor OVO geldt dit nog veel sterker. Een rijp kind is intrinsiek gemotiveerd.

 

      3.3  Een niet-rijp kind doet in DI-onderwijs geen succeservaringen op en krijgt er minder zelfvertrouwen en motivatie door. Een niet-rijp kind moet voortdurend extrinsiek gemotiveerd worden.

         In OVO krijgt een kind dat ergens niet rijp voor is voorwaardenscheppend onderwijs en doet succeservaringen op in iets waar het wél rijp voor is. Op leesgebied bijvoorbeeld doet het klank- en vormspelen en op rekengebied orden- en telspelen.

 

      3.4  Hoger zelfvertrouwen en beter oplossen van complexe problemen zouden aangetoond zijn in het project ‘Doorlichten’ (‘Follow Through’). Net als Hatties meta-analyse (zie 2.1) is ‘Doorlichten’ op onderzoek gebaseerd, waarin gebruik is gemaakt van de inferentiële statistiek. Dat houdt in dat de conclusies niet op feiten zijn gebaseerd, maar op schijnfeiten (‘artefacten’).

 

      3.5 Ook anderszins spiegelt DI geweldige effecten voor. Zo stelt de geestelijke vader van DI dat hij erin geslaagd is om kleuters te trainen in een taak op het niveau van 11-13-jarigen. In werkelijkheid ligt die taak op kleuterniveau. Zijn onderzoeksresultaten zijn dus schijnfeiten.

 

      3.6  Terwijl Hattie OVO aanbeveelt (zie 2.3), ontkent ‘Doorlichten’ de ontwikkelingsfasen volledig. Volgens de geestelijke vader van DI geldt zelfs dat ‘DI ontwikkelingsvooruitgang en -theorie schuwt’. Ook Schmeier ontkent het bestaan van de ontwikkelingsfasen.

 

      3.7  Samengevat: In DI moet een niet-rijp kind voortdurend extrinsiek gemotiveerd worden en beklijft de leerstof ondanks vele herhalingen niet. Een rijp kind is intrinsiek gemotiveerd om te leren en aan te sluiten bij dat wat het al weet en kan. De kern van het onderzoek dat gunstig uitpakt voor DI, bestaat uit schijnfeiten   

 

      Behoefte aan verdieping? Ga naar het DI-artikel en lees §3.2-3 (inferentiële statistiek; tests en andere psychometrische instrumenten; p.3-6), §5.2.2 (proef op kleuterniveau; p.15-17) en §7.4 (onderzoek naar DI; p.21-24).

 

Wil je de negen passages lezen en de reactie van de WSK op alle negen?
<<KLIK HIER>>

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.