Directe Instructie (DI) (1) Wat is Directe Instructie?

Volgens aanhangers van DI is DI een manier van lesgeven, die draait om uitleggen en voordoen door de leerkracht.

De WSK daarentegen stelt:

Onderwijs dient de ontwikkeling van het kind te volgen (OntwikkelingVolgend Onderwijs). En dat draait om de vraag: Is dit kind hieraan toe? DI kijkt daar ten onrechte niet naar.

In OntwikkelingVolgend Onderwijs is de hoofdvraag: is een kind toe aan de stof die jij wilt onderwijzen? Voordoen werkt niet bij een kind dat ergens niet aan toe is.

Veelvuldig herhalen is een kenmerk van DI.

In OntwikkelingVolgend Onderwijs heeft een kind dat ergens rijp voor is, aan één of enkele aanbiedingen genoeg, vooropgesteld dat het er daarna voldoende mee kan oefenen.

Omgekeerd hebben zelfs honderden aanbiedingen bij een kind dat ergens niet rijp voor is, geen blijvend effect. Bovendien staat veel en vruchteloos herhalen leerkrachten en leerlingen tegen.

 

recht gedrukt en niet ingesprongen: Schmeiers tekst

      schuin gedrukt en ingesprongen: de reactie van de kerngroep van de WSK

DI = Directe Instructie; OVO = OntwikkelingVolgend Onderwijs of aansluitend onderwijs

 

Wat is Directe Instructie?

Directe Instructie (DI) is een manier van lesgeven waarbij de leerkracht uitlegt en voordoet, waarna de leerlingen de gelegenheid krijgen samen met de leerkracht en met elkaar verder te oefenen. De leerkracht controleert voortdurend of alle leerlingen de leerstof begrijpen en geeft gerichte feedback. Als blijkt dat de meeste leerlingen de leerstof beheersen, dan werken ze zelfstandig verder.

      De doorklik geeft deze uitleg:

     

 

1.1  In OVO is de hoofdvraag: is een kind toe aan de stof die jij wilt onderwijzen? Voordoen werkt niet bij een kind dat ergens niet aan toe is, maar dat stelt DI niet als eerste voorwaarde.

     

      1.2  Met eenvoudige proeven kun je nagaan of een kind ergens aan toe is.

         Voorbeeld 1. Als je na wilt gaan of een kind toe is aan klankspelletjes: ‘Wat is het langste woord: “trein” of “driewieler”?’.

            Oudere peuter: ‘Trein’ – jij: ‘Waarom?’ – oudere peuter: ‘Omdat een trein veel groter is dan een driewieler’.

            Kleuter: ‘Driewieler’ – jij: ‘Waarom?’ – kleuter, erbij bewegend: ‘Want je zegt “trein” en “drie-wie-ler”’.

         Voorbeeld 2. Als je na wilt gaan of een kind leesrijp is, neem je de twee proeven van de leesrijpheidstoets af.

     

      Bij kinderen die ergens niet aan toe zijn maar er wel DI-onderwijs in krijgen leidt dit doorgaans tot frustratie, faalangst en een verminderd gevoel van eigenwaarde.

 

      1.3  Veelvuldig herhalen is een kenmerk van DI. Volgens Engelmann, de geestelijke vader van DI, is het geregeld nodig om iets ‘misschien wel honderden keren door te nemen’ en is herhaling ‘de ruggengraat van het programma’. En volgens Schmeier is herhaling één van de vier technieken die de leerkracht ter beschikking staan (zijn boek van 2020, p.92-101).

         In OVO heeft een kind dat ergens rijp voor is, aan één of enkele aanbiedingen genoeg, vooropgesteld dat het er daarna voldoende mee kan oefenen.

         Omgekeerd hebben zelfs honderden aanbiedingen bij een kind dat ergens niet rijp voor is, geen blijvend effect. Bovendien raken leerkrachten en leerlingen gefrustreerd en beleven zij weinig tot geen plezier aan veel en vruchteloos herhalen.

 

      1.4  Bij een kind dat ergens aan toe is, kan voor- en nadoen heel goed werken – vooral ook bij kleuters.

         Voorbeeld 1. Jij: ‘Ik ga het woord “hok” in stukjes hakken: “h, o, k”. Doe jij dat eens met “kat”’.

         Voorbeeld 2. Voor- en met elkaar nadoen hoe je een vierkant vel papier in 16 kleine vierkanten vouwt, werkt veel beter dan met alleen mondeling uitleg, zoals in ‘Dit grote vel kun je in 16 vierkantjes vouwen. Je vouwt dan eerst’ enzovoort. Taal in combinatie met de handeling versterkt de ervaring.

 

      1.5  De voorbeelden in 1.4 zijn voor DI een vorm van ‘directe instructie’ met kleine letters.

         Ook in OVO kan instructie worden gedaan, ‘directe instructie’ of anderszins. Hoofdzaak is dat die instructie óp het ontwikkelingsniveau van het kind gebeurt en niet er bóven.

     

      1.6  Een kind dat ergens aan toe is, met name de kleuter, heeft DI niet nodig want het kan in een leerrijke omgeving zelf ontdekkingen doen en zo de volgende stappen in zijn ontwikkeling zetten.

     

      1.7  Samengevat: OVO draait om de vraag: Is dit kind hieraan toe? DI kijkt daar niet naar als een voorwaarde, is daarom ineffectief bij een kind dat ergens niet aan toe is en in dat geval overbodig, indien het kind OVO aangeboden krijgt.

     

      Behoefte aan verdieping? Ga naar het DI-artikel, zoek onder de trefwoorden ‘voordoen’ en ‘rijpheid’ en/of lees §4 (leesonderwijs op DI-basis; p.6-12), §5 (training op DI-basis; p.12-18), §6 (DI als aanwending van de conditioneringspsychologie; p.18-19), §9.1, d1, ‘Ten vierde’; p.27), §9.1, e (p.28) en §9.4, c1 en c2 (p.37).

 

Wil je de negen passages lezen en de reactie van de WSK op alle negen?
<<KLIK HIER>>

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.