Brief WSK aan S. Dekker, staatssecretaris van OCW

Aan de heer S. Dekker, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Betreft:

Twee voorstellen over het onderwijsaanbod op de pabo met betrekking tot het jonge kind

14 december 2016.

Hooggeachte Heer,

We danken u voor de uitnodiging om met u van gedachten te komen wisselen over ‘Het jonge kind op de pabo’.

Op 15 maart jongstleden heeft de Tweede Kamer in een motie, die met 138 stemmen is aangenomen, de regering verzocht ‘om bij de vervolgstappen met betrekking tot de curriculumontwikkeling die verband houden met kleuters, specifieke aandacht te geven aan hun ontwikkelingsfase, bijvoorbeeld door de Werk-/Steungroep Kleuteronderwijs (WSK) daarbij te betrekken’.1 Zij verzocht dit omdat ze naar aanleiding van de uitzending van De Monitor van 21 februari2 constateerde dat ‘kleuters in ons onderwijssysteem in toenemende mate worden benaderd als schoolkind in plaats van kleuter’ en ‘dat overheden, schoolbesturen en methodeontwikkelaars regelmatig stimuleren om kleuters al formeel te laten leren, terwijl kleuterleerkrachten, ontwikkelingspsychologen en andere deskundigen waarschuwen voor nadelige effecten en pleiten voor voorwaardenscheppend onderwijs’.1

Op 13 oktober hebben Kamerleden u gevraagd of het huidige pabo-aanbod de student voldoende mogelijkheden biedt om verantwoord les te kunnen gaan geven aan het jonge kind en werd tevens de mogelijkheid van een aparte opleiding voor het jonge kind aan de orde gesteld en ook bij deze kwesties werd de WSK uitdrukkelijk genoemd.
We zijn blij dat u vandaag de bijeenkomst ‘Het jonge kind op de pabo’ heeft georganiseerd en dat ook de WSK daarvoor is uitgenodigd.

Klachten over de pabo’s

Wij constateren al vele jaren dat er in het hele land veelvuldig ernstige klachten zijn over de kwaliteit van het aanbod van pabo’s met betrekking tot de kleuterfase: stagiaires en pas afgestudeerden weten doorgaans weinig tot niets over de specifieke kenmerken van kleuters en de daaruit voortvloeiende noodzaak om hen aansluitend op die specifieke kenmerken te benaderen. Wij wijzen u op het zwartboek Kleuters in de knel! dat we op 9 april 2013 aan de Tweede Kamer hebben aangeboden3.

We overhandigen u vandaag 24 brieven die onlangs door kleuterleerkrachten zijn geschreven, waarin zij hun negatieve ervaringen met pabo’s en hun stagiaires en pasafgestudeerden beschrijven.

In de groepen 1 en 2 wordt de basis gelegd voor het hele verdere leren en we vinden het onbegrijpelijk dat deze belangrijke periode zo onderbelicht wordt op de pabo’s. Deze basis dient te bestaan uit vrij spel en voorwaardenscheppende lees-, taal-, reken- en schrijfoefeningen, zodat het kind, indien het eraan toe is, moeiteloos kan leren lezen, schrijven en rekenen. Een algemene voorwaarde is een goed ontwikkelde motoriek. Aan de motorische ontwikkeling van speciaal kleuters wordt op de pabo’s onvoldoende aandacht besteed. Als voorbeeld voor voorwaardenscheppende leesoefeningen noemen we klank- en vormspelletjes. Voor het rekenen is het belangrijk dat het kind de ordeningsprincipes kent van plaats, hoeveelheid, hoedanigheid en (rang)telling en deze zelf heeft beleefd, ervaren en benoemd.

We maken ons ernstig zorgen omdat we zien dat dit voorwaardenscheppende deel van het onderwijs in de praktijk wordt overgeslagen aangezien in groep 1 en 2 al met letters, cijfers en werkbladen moet worden gewerkt. Als het fundament van een huis niet sterk is, zal het huis gaan scheuren en verzakken. Ditzelfde zien we overduidelijk terug in het onderwijs. Omdat de basis niet stabiel is, constateren we steeds meer leer- en gedragsproblemen.

We hebben ervaren dat slechts weinig pabo’s en lerarenopleidingen voor het basisonderwijs genegen zijn om verandering in het curriculum aan te brengen. Wij constateren dat vrijwel al onze leden al meer dan tien jaar hun ongenoegen over deze situatie melden aan stagebegeleiders en andere pabodocenten. Ondanks alle protesten en signalen dat het curriculum op de opleiding onvoldoende kennis en vaardigheden biedt voor het werken met het jonge kind is aan deze situatie tot nu toe weinig tot niets veranderd.

We denken vanuit de geschiedenis van de pabo’s te kunnen verklaren hoe dit heeft kunnen ontstaan.

Ewald Vervaet, lid van de kerngroep van de WSK, heeft onlangs in een boek aangetoond dat op universitair niveau een betrekkelijk gesloten netwerk functioneert van hoogleraren die het bestaan van ontwikkelingsfasen in het algemeen ontkennen of het verantwoord achten die te negeren en de overtuiging delen dat het mogelijk is om actief in te grijpen in het brein van het kind (Vervaet, Basisonderwijs zonder basis, hoofdstuk 2, ‘Van de leerbaarheidsgedachte naar de basisschool’). Vrijwel alle pabodocenten onderwijskunde en wellicht ook een (groot) aantal beleidsmakers en -medewerkers zijn direct of indirect opgeleid aan of via het Utrechts Pedagogisch Instituut. Dit instituut is in 1946 door Langeveld opgericht en was geruime tijd in ons land het enige in zijn soort; Langeveld ontkende op filosofische en levensbeschouwelijke gronden het bestaan van ontwikkelingsfasen (hoofdstuk 2, paragraaf ‘Niet houdbaar maar invloedrijk langs twee wegen’, p.48-50).

Recent beleid

Op p.15 van Doorstroom van kleuters staat:

‘De insteek van de inspectie is, dat ook voor de herfstleerlingen geldt dat de beslissing over overgang gebaseerd moet zijn op het aansluiten op de ontwikkeling van de leerling. Scholen kunnen daarvoor hun eigen criteria opstellen en een protocol hanteren. Als een geboortedatum als 1 oktober of 1 januari daarin een rol speelt, is het wel belangrijk dat de school zich daarbij kritisch blijft afvragen of dat wel het beste is gelet op de ontwikkelingsfase van de leerling, tevens welke aanpassingen in het onderwijs dan nodig zijn om tegemoet te komen aan het realiseren van de ononderbroken ontwikkeling. Voor de inspectie bestaat er geen officiële leeftijdsgrens voor de overgang naar groep 3. De inspectie pleit ervoor de doorstroming naar groep 3 uitsluitend te baseren op ontwikkelingsgegevens’.4

Indien het woord ‘ontwikkeling’ consequent wordt gehanteerd in de zin van elkaar opvolgende psychologische structuren in het brein van het kind5, waarmee het zichzelf, zijn sociale omgeving en de wereld om hem heen leert begrijpen, en als er vanuit de overheid gepleit wordt voor een ononderbroken ontwikkeling, is dit een juiste vaststelling van zaken, waarbij ‘aansluiten op de ontwikkeling’ hoe dan ook in het hele onderwijsaanbod centraal zou moeten staan. (Zie ook bijlage A.)

Volgens de WSK dient aansluiten op de ontwikkeling van het kind spoedig en doortastend te gebeuren en kan dat slechts door ingrijpen van de kant van de overheid.

Onze voorstellen

We verzoeken u dringend om de afdeling ‘Natuurkunde’ van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen de vraag voor te leggen of ontwikkelingsfasen bestaan of niet, dit om de huidige impasse te doorbreken die bestaat tussen enerzijds de groep die de ontwikkeling van het kind in noodzakelijke, elkaar opvolgende neurologische en psychologische fasen erkent en anderzijds de groep die ervan overtuigd is dat het mogelijk is om actief in te grijpen in het brein van het kind door gebruik te maken van de zone van de naaste ontwikkeling.

Omdat een pabo op grond van de artikelen 7 (vrijheid van meningsuiting) en 23 (vrijheid van onderwijs) van de Grondwet haar onderwijs naar eigen inzichten mag inrichten en dus ongehinderd de genoemde impasse in stand kan houden pleiten we voor wettelijke kaders waarin objectiveerbare deugdelijkheidseisen aan het onderwijsaanbod aan pabo’s zijn geformuleerd. We doen u twee voorstellen die volledig in de geest staan van de bovenstaande passage.

1.  Twee afstudeerrichtingen binnen het pabo-aanbod

Er dient zo spoedig mogelijk een wettelijk kader voor twee afstudeerrichtingen aan de pabo’s te komen:

·        afstudeerrichting Jong Kind waarin de opeenvolgende peuter-, kleuter- en fase van het jonge schoolkind (samen van ongeveer 3-3,5 jaar tot ongeveer 8 jaar)5 centraal staan;

·        afstudeerrichting Ouder Kind waarin de opeenvolgende fasen van het jonge schoolkind, middenbouwkind, bovenbouwkind en formeel functionerende pre-adolescent (samen ongeveer 6-6,5 jaar tot ongeveer 12-13 jaar) centraal staan5 .

Wij bevelen aan dat de fase van het jonge schoolkind (globaal genomen het kind in de groepen 3 en 4) in beide afstudeerrichtingen aan bod komt.

2.  Tijdelijk nascholingsaanbod

We pleiten voor een wettelijk kader dat ruimte biedt aan een nascholingsaanbod voor alle leerkrachten die onvoldoende kennis hebben van de ontwikkelingsfasen van het jonge kind en van de specifieke behoeften van kleuters en de daarbij behorende methodiek.

Op 8 juli 2016 heeft de WSK hierover met de Tweede Kamer gecorrespondeerd.6

Met betrekking tot de inhoud van deze nascholing heeft de WSK op 18 april 2015 het document Minimale competenties voor de beginnende kleuterleerkracht aangenomen.7 Een nascholingscursus in de geest van dit document kan in acht lessen van drie klokuren worden gegeven en zal ongeveer 100 uren studie en praktijkervaring vergen voor het uitvoeren van de observatie en praktijkopdrachten na elke les. De voorbereiding op het werken met kleuters dient namelijk zo praktisch mogelijk te zijn.

We zijn ons ervan bewust dat de regering in verband met de artikelen 7 en 23 van de Grondwet over deze voorstellen pas een besluit kan nemen nadat door de KNAW in deze kwestie is beslist.

We zijn gaarne bereid de inhoud van deze brief nader toe te lichten.

Met vriendelijke groeten, namens de kerngroep van de WSK,

Lianne Morssink, Bianca Romberg en Ewald Vervaet

cc: leden van de Commissie OCW van de Tweede Kamer der Staten-Generaal  overige deelnemers aan de bijeenkomst van 14 december 2016

Noten

1. www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2016Z05026&did=2016D10290.

2. www.npo.nl/de-monitor/21-02-2016/KN_1676827.

3. www.wsk-kleuteronderwijs.nl/wp-content/uploads/2013/04/Zwartboek-Kleuters-in-de-knel-april-2013-LR.pdf; maar liefst 18 van de 100 schrijvers spreken zich daarbij uitdrukkelijk uit over de vrijwel volledige afwezigheid van de ontwikkelingsfase van de kleuter op veel pabo’s; zie de verhalen 3, 7, 17, 18, 34, 39, 42, 45, 56, 59, 60, 62, 63, 69, 78, 79, 90 en 93.

4. www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/09/12/doorstroom-van-kleuters.

Op 27 september 2016 heeft de WSK over Doorstroom van kleuters een brief geschreven aan de Tweede Kamer; www.wsk-kleuteronderwijs.nl/wp-content/uploads/2016/09/2016_09_27_reactie-op-doorstroom-van-kleuters_DEFINITIEF.pdf. In bijlage I van die brief wijzen we met instemming onder meer op de aangehaalde passage, maar in bijlage II laten we zien dat Doorstroom van kleuters veel passages bevat die strijdig zijn met de aangehaalde passage en slecht kleuteronderwijs bevorderen omdat ze geen recht doen aan de feitelijke psychologische ontwikkeling van het kind, waarover meer in noot 5.

In samenhang met Doorstroom van kleuters is er de afspraak tussen u en de PO-Raad om het percentage doubleurs (ook in groep 2) te laten dalen naar 1,5% in 2020 (uw brief aan de Tweede Kamer van 4 april 2016; wsk-kleuteronderwijs.nl/wp-content/uploads/2016/05/2016-04-04-dekker-kamerbrief-over-het-onderwijs-aan-kleuters.pdf). U heeft een motie ontraden, die verzocht om streefpercentages doubleurs (ook dat van 1,5% in 2020), te laten vallen en een Kamermeerderheid heeft u daarin gevolgd (www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2016Z20845&did=2016D42959) – helaas omdat elk streefpercentage doubleurs strijdig is met de aangehaalde passage. Het percentage doubleurs van 1,5% in groep 2 kan alleen op verantwoorde wijze worden gehaald indien u aanvaardt dat groep 3 in feite deels een kleutergroep is. We betwijfelen of het uw bedoeling is het basisonderwijs zo fundamenteel te wijzigen dat het van ‘2 jaar kleuteronderwijs – 6 jaar lagere-school-onderwijs’ in 2,5-3 jaar kleuteronderwijs – 5,5-5 jaar lagere-school-onderwijs’ verandert.

Indien u zowel aan dat streefpercentage doubleurs als aan ‘2 jaar kleuteronderwijs – 6 jaar lagere-school-onderwijs’ wilt vasthouden, dan is dat alleen te verwerkelijken door de aanvangsleeftijd voor de basisschool op 4,5 jaar te stellen. Een kind wordt namelijk gemiddeld met 4,5 jaar kleuter. In het huidige bestel komt het kind feitelijk als oudere peuter binnen – veel scholen noemen hen ‘jongste kleuters’ ter onderscheid van ‘oudste kleuters’ die in psychologische zin kleuters zijn.

5. Dat ontwikkelingsfasen een feit zijn, zetten we in de bijlage uiteen. Vanaf 1929 is vanuit drie psychologische stromingen bezwaar aangetekend tegen dit feit. Vervaet bespreekt en weerlegt ze alle drie uitvoerig in zijn boek Basisonderwijs zonder basis. Indien u dat wenst, geven we zijn betoog in het kort weer.

Die drie fase-ontkennende-benaderingen hebben twee punten met elkaar gemeen.

1. Het kind krijgt hulp: iemand doet de juiste reactie voor, geeft aanwijzingen, stelt vragen die de aandacht van het kind op een bepaald aspect van de probleemstelling vestigt of anderszins.

2. Het woord ‘kunnen’ krijgt een andere betekenis: ‘kunnen’ kan zowel ‘zelfstandig kunnen’ betekenen als ‘met andermans hulp kunnen’. Dit zijn echter twee verschillende zaken. In ‘zelfstandig kunnen’ beschikt het kind over een bepaald vermogen, maar in ‘met andermans hulp kunnen’ beschikt het daar niet zelf over en heeft het slechts uitwendige correcte reacties op grond van een goed geheugen en het nabootsen van andermans hulp.

Op dit ogenblik is Vygotskij’s ZNO-leer in theoretisch opzicht bij verre de sterkste van de drie fase-ontkennende benaderingen. Ze is zelfs zo sterk dat u zich op 9 juni 2016 positief over ZNO heeft uitgelaten (www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2016D24108&did=2016D24108), hoewel dit in wetenschappelijk opzicht een zeer aanvechtbaar begrip is zoals Ewald Vervaet onlangs heeft laten zien aan de hand van Vygotskij’s acht teksten over ZNO (Basisonderwijs zonder basis, hoofdstuk 4, ‘Zone van de naaste ontwikkeling’). Op 2 september 2016 hebben we een reactie op uw stuk van 9 juni gegeven (www.wsk-kleuteronderwijs.nl/overheid/brieven-aan-de-tweede-kamer/brief-van-de-wsk-aan-de-vaste-commissie-ocw-van-de-tweede-kamer/). We voegen daar nu aan toe dat over Vygotskij’s ZNO-leer tussen 1970 en 1990 is gesteld dat er een aanzienlijke leertijdwinst mee te behalen zou zijn: kinderen zouden in ZNO-onderwijs al met 7 jaar vaardigheden beheersen die ze anders pas met 12 jaar zouden beheers. Dat ZNO- onderwijs leertijdwinst zou opleveren is echter nooit aangetoond.

6. www.wsk-kleuteronderwijs.nl/overheid/brieven-aan-de-tweede-kamer/verzoek-om-nascholingscursussen-over-ontwikkelingsfasen-kleuters/.

7. www.wsk-kleuteronderwijs.nl/pabo-brochure/.

Bijlage: ontwikkelingsfasen als feit

Een reactie

  • Joke Nieuwland

    Hoewel ik een groot voorstander ben van Ontwikkelingsgericht Onderwijs , dat doe ik al meer dan 25 jaar en de ZNO als vanzelfsprekend in mijn praktijk integreer, ben ik verrast door de dicrepantie die de zienswijze van de ontwikkelingsfasen voorstaat. Zelf heb ik dit nooit als twee tegenover elkaarstaande ideeen benaderd.
    Stof om over na te denken!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.