Gesprek tussen Cito en WSK, Arnhem, 3 juni 2014, 12u00-13u30

Deelnemers: Ilse Papenburg (Cito), Marleen van Benthem (Cito), Ewald Vervaet (WSK), Gerda Witte (WSK), Lianne Morssink (WSK) en Riet de Jong (WSK).

Ilse is toetsdeskundige, adviseur basisonderwijs, projectleider peuter- en kleutertoetsen. Marleen is onderwijskundige en denkt als business developer mee over welke producten er door het Cito ontwikkeld moeten worden; nu is ze vooral bezig met het vernieuwen van de kleutertoetsen.

Ten behoeve van Marleen schetsen de vier WSK’ers waar de WSK voor staat. De WSK staat voor onderwijs dat bij de ontwikkeling van het kind aansluit en daar niet op vooruitloopt, en is voortgekomen uit onvrede over het bestaande beleid ten aanzien van het kleuteronderwijs; zie ook het zwartboek dat op 9 april aan de commissie OCW van de Tweede Kamer is aangeboden. Daaruit is de motie Rog van 5 november voortgekomen, die het de onderwijsinspectie verbiedt om het al dan niet afnemen van Citokleutertoetsen als criterium te gebruiken in haar beoordeling van een basisschool. De WSK heeft twee landelijke bijeenkomsten gehouden en bereidt de derde, van 4 oktober, voor. De WSK onderzoekt samen met een scholenkoepel in de Kop van Noord-Holland hoe het beleid ten aanzien van verantwoorden naar de overheid kan worden gewijzigd. ‘Aansluitend onderwijs met vertrouwen in leerkracht en leerling’, twee bijeenkomsten werden gevolgd door 130 werknemers van de stichting en de bereidheid om hieraan mee te werken is zeer groot. Er moet iets veranderen! Drie WSK- leden werken aan een LVS dat recht doet aan aansluitend onderwijs. Er is een document in voorbereiding over vrij spel. We zitten in een overleg met de vakbonden. En nog veel meer…

Dit gesprek is het vervolg op het gesprek van 4 februari tussen Ilse, Jacqueline Visser (Cito) en de vier bovenvermelde vertegenwoordigers van de WSK enerzijds en het telefoongesprek tussen Ilse, Jacqueline en Ewald van 4 maart, dat op 4 februari was afgesproken, anderzijds.

We praten door over de schrijfproef en de leesproef. Die zijn op zich Ewalds werk maar ze concretiseren in verband met leesrijpheid de doelstelling ‘aansluitend onderwijs’ van de WSK op goede wijze. In dat kader vertelt Lianne hoe de Citotoetsen voor de groepen 1 en 2 op haar school functioneren.
Gerda brengt in het verband van toetsen in dat het in een toets zou dienen te gaan om het volgen van elk kind afzonderlijk en niet om het in vergelijking met andere kinderen te plaatsen.

Naar aanleiding van Ilse en Marleens opmerking dat Citotoetsen niet op bepaalde manieren gebruikt mogen worden, stelt Riet dat het Cito hulpprogramma’s voor kleuters maakt en ook steeds meer toetsen voor peuters ontwerpt. Ilse meent dat de kleuterrekentoets van het Cito om activiteiten draait en geen werkjes behelst. Maar volgens Riet is de Citorekentoets te veel doel en raakt de brede ontwikkeling van de kleuter te zeer uit beeld. Volgens Ilse ligt dat niet aan het Cito maar aan de SLO, want het Cito richt zich slechts op de ongeveer 12 doelen die door de SLO zijn geformuleerd. Bovendien is het referentiekader achter de Citotoetsen volgens haar zo breed mogelijk maar worden ze op kindniveau ten onrechte vaak als doel op zich gebruikt.

Gerda concludeert dat dit alles eens te meer laat zien dat het kind op een andere manier gevolgd moet worden dan met Citotoetsen die een testkarakter hebben. Marleen sluit bij Gerda aan door te stellen dat het Cito in zijn vernieuwingspogingen wil weten wat het veld wil. Ewald benadrukt daarbij dat het Cito uiteraard zelf bepaalt welke vragen het aan wie stelt, maar dat het vragen aan leerkrachten een risico inhoudt omdat het onderwijs op de PABO wat betreft het ‘jonge kind’ al een aantal jaren ver onder de maat is en er dus bij veel leerkrachten kennis ontbreekt omdat zij doorgaans onvoldoende van de kleuter afweten – zoals Lianne heeft gesteld bij het bespreken van de wijze waarop de Citokleutertoetsen op haar school functioneren.

In reactie op Marleens verzoek benadrukt Riet dat je vooral moet letten op zaken als ‘durft het kind wat?’ en ‘als er iets gebeurt, komt het kind dan zelf uit of niet?’. Als aan deze en andere voorwaarden is voldaan, begint het kind op zijn eigen niveau aan groep 3. Lianne vult aan door te stellen dat bij een angstig kind de ontwikkeling veelal niet op gang komt, maar dat dat wel gebeurt zodra het uit die angst is. Maar voor dat proces is tijd nodig en die is er in het beleid dat eerder vooruitlopend is dan aansluitend, niet of te weinig.

Dat brengt Riet op de vraag of het Cito toetsen kan maken die een zekere openheid hebben. Ilse vertelt dat zij contact hebben gehad met Bianca Bijlsma die een promotieonderzoek heeft gedaan in Nederland naar het Amerikaanse LVS Gold. Haar onderzoek is op gericht op toepassing van Gold in Nederlandse kinderdagverblijven. Met het Cito heeft ze gesproken over de mogelijkheid om Gold ook op Nederlandse basisscholen te gebruiken. Gold zou draaien om de vraag hoe de psychologische ontwikkeling van het kind verloopt.

Volgens Lianne is er qua kalenderleeftijden niet één ontwikkeling. Weliswaar is er een algemene ontwikkelingslijn, zoals ook in de schrijfproef en leesproef blijkt, maar elk kind doorloopt die op alle domeinen in zijn eigen tempo. Volgens Riet zal men op Vrijescholen, op Daltonscholen enzovoort ook anders naar die ontwikkeling kijken.

Ilse wil weten wat we precies zouden willen ten aanzien van lezen en schrijven. Riet stelt dat het observeren door de leerkracht centraal zou dienen te staan. Lianne laat daarop enkele voorbeelden die ze van de schrijfproef en leesproef bij zich heeft, aan Ilse en Marleen zien. Marleen herkent er veel van in de toets ‘Diagnostiseren en plannen’ die ze op rekengebied had gemaakt. Daarmee zouden de stappen in het rekenproces met proefjes te volgen zijn. Het spannende en vervelende was echter dat die toets in het geheel niet werd gekocht en werd afgenomen omdat leerkrachten hem doorgaans te lastig vonden. Riet zou het waarderen als rond die toets een pilotproject opgezet zou kunnen worden.

Ilse geeft alle aanwezigen een exemplaar van een schema waarin de Citoproducten voor de groepen 1 en 2 staan. Het is vertrouwelijk en we worden geacht dit schema niet naar buiten te brengen. Ilse en Marleen zijn benieuwd wat wij van het schema vinden.

Ilse en Marleen gaan bekijken of en, zo ja, wat ze over dit gesprek op papier gaan zetten. Binnenkort moeten ze een business case schrijven maar dat is voor intern gebruik en dat zullen ze niet aan de WSK laten lezen. In deze zin hebben we een open afspraak gemaakt voor een vervolg.

Een reactie

  • sylvia wildeboer

    spannend zo. Cito blijft dus op zoek om het kind te toetsen!! ipv het kind slechts te volgen op zijn ontwikkelings pad. Leer de leraar kijken en zien wat hij zou kunnen/ moeten zien !! zonder het kind daar mee te belasten!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.