ABC-WSK: Zone van de naaste ontwikkeling

De zone van de naaste ontwikkeling is het verschil tussen de zone van de feitelijke ontwikkeling en het probleemoplossend vermogen waarover het kind beschikt als het samenwerkt met een meer kundig iemand dan het kind zelf.

De zone van de naaste ontwikkeling staat in tegenstelling tot aansluitend onderwijs; zie ‘aansluitend onderwijs’ en met vrij spel; zie ‘vrij spel’. In wetenschappelijk onderzoek blijkt ondubbelzinnig dat ontwikkeling van binnen komt en niet van buiten zolang het kind óp zijn niveau actief in wisselwerking staat met de buitenwereld (fysiek en sociaal); zie ook ‘aansluitend onderwijs’, ‘vrij spel’ en de ‘noot’.

De WSK wijst onderwijs dat gericht is op de zone van de naaste ontwikkeling, om deze reden af.


abc-wsk-01Noot
Bij de introductie in ons land van het begrip ‘zone van de naaste ontwikkeling’ rond 1980 (door Carpay en Van Parreren) werden grote verwachtingen gewekt over de resultaten die te boeken zouden zijn door te werken vanuit het begip ‘zone van de naaste ontwikkeling’. ‘Het gaat hier niet om alleen maar een versnelling van de cognitieve ontwikkeling, maar om het systematisch leiden naar een niveau van denken, dat onder meer traditionele condities alleen door een deel van de kinderen drie of vier jaar later pleegt te worden bereikt’: (van Parreren).
Onderwijs dat is gebaseerd op de zone van de naaste ontwikkeling geschiedt in Nederland vrijwel overal via ontwikkelingforcerend spelspel; zie ‘ontwikkelingforcerend spel’. De taak die bóven het kleuterniveau ligt, wordt doorgaans aangeduid met termen als ‘echte activiteit’, ‘cultureel betekenisvol’ en ‘deelnemen aan de wereld van de volwassenen’.
Wat is er in 2015 terecht gekomen van Van Parrerens versnelling met drie tot vier jaar? In 2012 erkennen Vygotskijanen dat de te boeken winst nul jaar bedraagt. Janssen-Vos bijvoorbeeld stelt dat kinderen in Vygotskijaans onderwijs aan het eind van groep 4 kunnen lezen, schrijven en rekenen, zonder erbij te vermelden dat ze dat ook zouden kunnen zonder geleid spel dat kinderen naar de volgende zone zou moeten brengen. Ze schetst: ‘De eerste aanzetten voor het lezen, schrijven en rekenen starten ook in het spel’. Dan stelt ze: ‘Deze opvatting maakt het mogelijk om de onderbouw te zien als een totale periode voor kinderen tot 7 à 8 jaar waarin, vanuit het spel, ontwikkeling wordt opgebouwd zodat kinderen toegeleid worden naar (de periode van) het bewuste leren. Het perspectief is dat alle kinderen aan het eind van de onderbouw gretige en goede lezers en schrijvers zijn geworden’ (Baanbrekers en boekhouders, 2012, p.92).
Let ook op de passieve en uitwendige voorstelling over ontwikkeling in de vorige alinea: ‘opgebouwd worden’ en ‘toegeleid worden’, terwijl bij vrij spelende kleuters die aansluitend onderwijs krijgen (zie ‘vrij spel’ en ‘aansluitend onderwijs’) blijkt dat de ontwikkeling niet van buiten komt maar van binnen – zolang de kleuter maar op zíjn niveau actief met de buitenwereld (fysiek en sociaal) in wisselwerking kan staan. 

5 comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *